WEB_NataliBroods

Natali Broods: ‘Niet durven en het toch doen, dat typeert mij’

Laten we de vergelijkingen met Charlotte Gainsbourg en Béatrice Dalle maar meteen overslaan. Natali Broods (42) is haar eigen naam waard. Actrice van over ’t water, bevlogen theatermaakster, moeder van een tweeling: Broods heeft talent voor het volle leven. Op onze sofa richt ze haar enigmatische blik naar binnen, met de condition humaine als leidmotief: ‘De duistere krachten die ons drijven fascineren mij. Het leven is zoveel groter en sterker dan wijzelf.’

Tekst: Valérie De Pré – Visagie: Inge Grossen – Foto’s: Johan Jacobs

 ‘Ik ben ervan overtuigd dat lichaam en geest samengaan. We zitten allemaal met blokkades en je geeft jezelf een groot cadeau als je daarrond werkt. Zelfzorg is heel belangrijk’

In Over water, de Eén-reeks die tv-kijkend Vlaanderen op zondagavond aan de buis kluistert, speelt ze Marjan, vrouw van ex-televisievedette John Beckers. Terwijl de ster van Beckers in de serie aan gruzelementen ligt, blijft die van Natali Broods rijzen. Vorig jaar ging ze nog aan de haal met de Ensor voor beste actrice voor haar prestaties in de film Façades. Tijd om kennis te maken met de vrouw achter de meest beklijvende oogopslag van België, voor haar ster helemaal richting firmament trekt.

Natali, in 2019 bestaat theatergezelschap de KOE 30 jaar. Daarom wil ik WitRoodZwart, de trilogie die je destijds maakte met Peter Van den Eede en Willem de Wolf, gebruiken als leidraad voor dit gesprek. In die trilogie staat Wit voor de kindertijd, Rood voor het volle, gulzige leven en Zwart voor de prijs die je betaalt.

We beginnen bij het begin: Wit. Hoe was jij als kind?

NB: ‘Ik zei niet veel. Ik was verlegen. Als kind benoem je dat niet zo, want je hebt nog geen notie van begrippen als introvert en extravert. Pas achteraf vul je dat in. Maar onlangs daagde het me: misschien sprak ik niet veel omdat ik het niet zo leuk vond om te praten. Ik vond de gesprekken gewoon niet altijd interessant. Misschien kon ik mij dus wel verschuilen achter die verlegenheid. Ik heb een heel fijne kindertijd gehad maar ik had nooit het gevoel dat je als kind onbezonnen bent. Ik heb altijd gepiekerd. Als mensen zeiden: “Geniet ervan, als kind heb je nog niets om je zorgen over te maken”, dan voelde ik me onbegrepen. Want dat klopt niet. De dingen waar je je zorgen om maakt zijn misschien kleiner, maar je bent zelf ook kleiner en dus kan het wel eens zwaar zijn om te dragen.

Naarmate je opgroeit en meer ervaring opdoet, vergroot je draagkracht. Misschien is het dus net omgekeerd en wordt het gemakkelijker met ouder worden. Daarom kan ik dat gepieker van vroeger niet minimaliseren. Ik zie dat ook bij mijn kinderen, hun frustraties zijn echt. Als het ene blok niet op het andere past, kunnen ze daar oprecht kwaad om zijn. Ik probeer dat dus serieus te nemen.’

Waarover piekerde jij zoal als kind?

NB: ‘Ik was heel gevoelig voor sferen. Ik merkte het meteen als er iets niet juist zat. Als mama en papa ruzie hadden, wat in de beste gezinnen gebeurt, kon mij dat erg bezighouden. Door die gevoeligheid had ik een soort somberte over mij. Ik was als kind al heel empathisch waardoor ik andermans pijn en gevoeligheden met me meedroeg. Hoogsensitiviteit is dus iets waar ik me wel in herken. Als mijn kinderen voor de honderdste keer roepen: “Mama, kijk! Ik ben een robot die in een auto kan veranderen!” dan kan ik daar serieus wat stress van krijgen. (lacht)Mijn vriend kan een knop omdraaien maar mij lukt dat niet, ik krijg al die prikkels niet verwerkt.’

Een kantelpunt in je kindertijd was het ‘haaimoment’. Vertel!

NB: ‘We waren op vakantie in Griekenland en gingen mee met een grote overzetboot. Ineens zeiden mijn ouders: “Kijk daar, dat zijn net haaienvinnen! Haaien kunnen mensen opeten!” Misschien waren het wel dolfijnen, en ze waren heel ver weg, maar ik zie me daar nog altijd op dat dek staan, helemaal van de kaart. Ik dacht: “Mij zouden die toch niet opeten, ik ben toch een goed mens?” Dat die haaien geen onderscheid maken, of je het nu goed meent met de wereld of niet, dat vond ik heel eng. Die willekeur. Een groot rechtvaardigheidsgevoel is blijkbaar een typisch kenmerk van hoogsensitiviteit.

Ik was ook bang voor de dood. Ik herinner me dat ik mij in mijn bed probeerde voor te stellen wat dat was en hoe dat voelde: dood. “Wil dat dan zeggen dat ze nooit, nooit, nooit meer komen aanbellen om te vragen: kom je spelen?” Dat woord nooit probeerde ik te vatten. Heel beklemmend. (Hapt naar adem) Ik kan dat gevoel nog altijd heel snel oproepen, die kinderlijke angst is er nog altijd. Je kan rationaliseren zoveel je wilt maar het verdwijnt niet. Het haaimoment markeert voor mij die doodsangst.’

Ondanks, of misschien net vanwege die gevoeligheden zocht je het podium op.

NB: ‘Op een bepaald moment heb je dan toch het gevoel dat daar iets zit wat een uitlaatklep nodig heeft. Van mijn zevende tot mijn zeventiende heb ik gedanst, jazzballet. De eerste stappen richting toneel zette ik toen ik op mijn twaalfde van de lagere school bij ons in de buurt naar de middelbare school ging. Daar leerde ik meisjes kennen die in de stad woonden en die een veel vrijer hoofd hadden dan ik. We gingen samen naar de dictie, schreven teksten en voerden toneeltjes op. Door hun mentaliteit kreeg ik tegen het einde van het zesde jaar echt zin om te gaan spelen. Maar ik was 17 toen ik afstudeerde. Op ingangsexamens hoor je vaak: je bent nog te jong, kom volgend jaar eens terug.

Daarom ben ik eerst een jaar naar het buitenland getrokken, naar Hongarije. Amerika was te ver voor mij, ik durfde de plas niet over. In die tijd had je nog geen gsm, geen internet, geen Facebook. Als je vertrok, ging je echt weg. Toen ik 18 werd, moest ik zelf in een telefooncel naar mijn ouders bellen zodat zij mij een gelukkige verjaardag konden wensen. Maar ik vond het fantastisch. Als je jong bent, moet je de wereld ontdekken. Ik hoop dat mijn kinderen dat later ook doen.’

Elders op het web