Bij de therapeut: ‘Het klikt niet met mijn baas’

Is therapie nodig of niet? Elke maand probeert een van onze lezers een antwoord te vinden op die vraag via een gesprek met psychiater en psychoanalyticus Robert Neuburger.

Deze maand: Fabienne (48).

Tekst Aude Mérieux – Foto’s Bruno Levy

 

‘Ik voel me beter op mijn gemak bij mannen. Momenteel heb ik een vrouwelijke chef, en dat loopt niet zo goed’ Fabienne

 

Fabienne: Ik raak niet echt vooruit op professioneel vlak. Ik heb het gevoel dat ik nog altijd dezelfde fouten maak als in het begin – al meer dan twintig jaar dus. Ik besef dat dit mijn laatste mooie jaren zijn, en dat ik daar dringend eens iets aan moet doen.

Robert Neuburger: Welke fouten maak je dan?

F: Ik heb te weinig zelfvertrouwen en als ik me niet goed in mijn vel voel in een team, presteer ik niet optimaal. Het is dus niet zozeer het werk zelf dat me niet bevalt, maar eerder de omgeving. En de omgeving waarin ik nu werk is gewoon toxisch.

RN: Waarom zeg je dan dat je fouten maakt?

F: Omdat ik me maar moet leren aanpassen. De bedrijfswereld wordt almaar harder. Toen ik jonger was en mijn job begon me na een paar jaar te vervelen, dan vertrok ik en zocht ik iets anders. Elke keer dacht ik dat ik iets beters had gevonden. Vandaag werk ik al acht jaar in hetzelfde bedrijf, maar ik maak geen enkele kans op promotie. Ik heb nog altijd dezelfde functie, en mijn loopbaan is niet echt een succes te noemen.

RN: Hebben collega’s met een gelijkaardige functie wel promotie gemaakt?

F: Heel weinig, want er zijn niet zoveel mogelijkheden. Maar ik denk dat het ook met mijn houding te maken heeft. Ik pak de dingen niet zo goed aan. Ik ben ook bang dat als ik opnieuw verander van werkgever ik me niet assertief genoeg zal opstellen, mezelf niet genoeg zal kunnen ‘verkopen’.

RN: Wat houdt dat dan precies in, je assertief opstellen, in deze context?

F: Ik weet niet hoe ik mezelf in de kijker kan zetten, hoe ik bij de manager in een goed blaadje kan komen. Want zo werkt het. Het zijn niet je talenten die doorwegen, je moet het strategisch spelen. Terwijl ik heel rechtuit ben. Ik doe mijn werk goed, maar daar gaat het niet om als je vooruit wilt komen. Ik heb een uitvoerende functie. Mijn bazen verwachten niet dat ik zelf nadenk. Ik moet gewoon doen wat ze mij zeggen, en daar heb ik het moeilijk mee. Ik heb veel ideeën en ik zou graag mijn steentje bijdragen, ook al is het op een bescheiden niveau.

RN: Ik zie twee mogelijkheden. Ofwel ligt het probleem, zoals je zelf aangeeft, bij jou, ofwel beschouwen je bazen je als een uitvoerende medewerker. In dat geval heeft het te maken met de functie die je hebt, niet met jou.

F: Het probleem is dat ik niet solliciteer voor hogere functies, omdat ik niet genoeg zelfvertrouwen heb.

RN: Heb je gelijkaardige moeilijkheden in je privéleven?

F: Niet in mijn gezin. Ik ben getrouwd, heb drie kinderen en alles loopt goed. Op dat vlak is mijn leven het best geslaagd.

RN: En in je gezin van oorsprong? Wat ik hoor doorklinken in je verhaal is je verlangen om graag gezien te worden om wie je bent. Vandaar dat ik me afvraag hoe je thuissituatie was.

F: Mijn ouders leven nog. Ik heb een heel toegewijde moeder en een autoritaire vader, die zijn gevoelens nooit uitdrukt. Als puber had ik dikwijls conflicten met hem. Maar de plooien zijn intussen al lang glad gestreken. Ik heb nog een jongere zus, die ook getrouwd is en kinderen heeft.

RN: Had je vader een voorkeur voor een van jullie twee?

F: Mijn zus was duidelijk zijn favoriet. Tegenover mij was hij hard en afstandelijk.

RN: In welke situaties voel je je zelfvertrouwen verminderen?

F: Wanneer ik merk dat anderen me niet sympathiek vinden. Al moet ik wel zeggen dat die indruk ook subjectief kan zijn.

RN: Hoe reageer je dan?

F: Ik kruip in mijn schulp.

RN: Probeer je niet om de ander voor je te winnen?

F: Nee, ik vlucht weg.

RN: Je geeft dus op. Dat is wellicht het probleem.

F: Ik klap dicht. Daarna raap ik mijn moed weer bij elkaar en ga opnieuw op zoek naar erkenning, maar dan bij iemand anders.

RN: Toen je nog een kind was, had je toen iemand die je naar waarde schatte?

F: Mijn grootvader langs moederskant misschien. (huilt) Hij had een heel sterke persoonlijkheid en ik denk dat hij mij in het bijzonder graag zag. Het leeftijdsverschil was te groot om hem in vertrouwen te nemen, maar hij was heel warm. Ik voel me trouwens meer op mijn gemak bij mannen dan bij vrouwen, vooral op de werkvloer. Momenteel is mijn chef een vrouw, en dat loopt niet zo goed.

RN: Dat is nog een ander thema, rivaliteit onder vrouwen.

F: Maar ik begrijp niet waarom ik me minder op mijn gemak voel bij vrouwen terwijl ik vooral problemen had met mijn vader.

RN: Hoe was je relatie met je zus?

F: Toen ze pas geboren was, was ik niet zo blij met haar. Niemand had me voorbereid op haar komst, dat heeft waarschijnlijk meegespeeld. Later, toen we pubers waren, was er sprake van rivaliteit tussen ons, maar dan veeleer van haar kant.

RN: Jij zag haar dus niet als rivale?

F: Helemaal niet. Ik voelde me de oudste, er was voor mij geen probleem.

RN: Je hebt alleen een probleem met vrouwelijke chefs?

F: Ja, en het is zelfs zo erg dat ik niet eens solliciteer als ik weet dat de manager een vrouw is. Mijn collega’s schieten wél op met mijn chef, maar tussen haar en mij klikt het niet. Ze verwijt me dat ik de hiërarchie niet respecteer. Het klopt wel dat ik iedereen als mijn gelijke aanspreek, en dat valt in slechte aarde.

RN: Je zegt dus dat je vrouwen behandelt zoals je zus. Je bent de oudste, en daar moeten ze het maar mee doen. Zou je het zo kunnen stellen?

F: Misschien. Denk je dat ik autoritair ben?

RN: Niet per se, maar je bent wel zeker van je plaats als oudste, zoals vroeger bij je zus. Je zegt dat je te weinig zelfvertrouwen hebt, maar ik heb de indruk dat je net heel zelfverzekerd overkomt. Het is mogelijk dat je chef niet de oudste was als kind, en dat ze bij jou het gedrag van een oudste zus opmerkt, wat ze niet zo leuk vindt.

F: Zo had ik het nog niet bekeken.

RN: Het oudste kind in een gezin speelt de rol van bemiddelaar tussen de moeder en de jongere kinderen. De moeder geeft haar oudste dochter of zoon dikwijls een zekere autoriteit. Jouw moeder heeft je waarschijnlijk verantwoordelijkheid over je zus gegeven.

F: Ja, toen zij vijftien was en ik achttien moest ik op haar letten.

RN: Voilà, en wanneer je zegt dat je niet zeker bent van jezelf, dan is het veeleer zo dat je te zelfverzekerd bent voor je functie. Eigenlijk zou je een job moeten zoeken waarbij je persoonlijkheid – die in deze functie wordt beschouwd als een nadeel – in je voordeel speelt. Heb je ooit al met een therapeut gesproken ?

F: Tien jaar geleden, omdat mijn dochter dyslexie heeft. Maar de therapeute legde alle schuld bij mij, alsof ik daar zelf verantwoordelijk voor was. Ik zie mezelf ook geen jarenlange therapie volgen.

RN: Ik zie jou ook geen jarenlange therapie volgen. Toch zou het geen slecht idee zou om met iemand te praten die wat orde op zaken kan stellen. Je hebt veel kwaliteiten, maar er zijn zoals bij iedereen een paar dingen die wat bijsturing vragen. Het zou je goed doen om eens over je vader te praten, je grootvader … Wat je chef betreft: ze bewijst jou een dienst door je iets bij te brengen – ze wil je kleine zusje niet zijn.

F: (lacht) Nu begrijp ik beter waarom ik altijd klaag dat ze me als een kind behandelt …

 

Een maand later

Fabienne: ‘Na ons gesprek realiseerde ik me dat het toch aangenaam is om met een neutraal iemand te kunnen praten. Dingen uitspreken werkt bevrijdend. De psychiater heeft een gevoelige snaar geraakt toen hij over mijn grootvader begon. Dat had ik helemaal niet verwacht. Ik heb nog geen initiatief genomen. Ik wacht nog even tot ik de sessie nog eens kan nalezen voor ik beslis of ik al dan niet in therapie ga.’

Robert Neuburger: ‘De oudste zijn in je gezin van oorsprong heeft gevolgen voor je persoonlijkheid omdat je al op jonge leeftijd verantwoordelijk bent voor je jongere broer of zussen. Dat kan je een egoboost geven, maar ook beperkend werken als zich dat later vertaalt in het niet-accepteren van autoriteit. Er bestaat nog een ander risico, al lijkt Fabienne daar geen last van te hebben, en dat is dat je zelf geen gezin sticht om zo verantwoordelijk te kunnen blijven voor je broers en zussen, en soms zelfs je ouders.’